Het voelt niet altijd even fijn, een broertje of een zusje. Zeker niet als die kleine lastpakken altijd willen doen wat jij doet, altijd willen meespelen, … Teddie de beer wil gaan vissen en zijn kleine broertje wil mee. Teddie vindt het vervelend dat hij op zijn kleine broer moet passen, probeert hem zoveel mogelijk te negeren en ernstig, recht op zijn doel (een vis vangen) af te stevenen. Maar zijn kleine broertje gooit echt roet in de plannen van Teddie en zorgt voor veel achterstand. Na veel vijven en zessen heeft de kleine broer klaarblijkelijk toch ook wel wat in zijn mars als het op vissen aankomt en dus vangen ze een vis. Die gooien ze daarna liefdevol samen terug in het water. Heel duidelijke illustraties die jonge kleuters vermoedelijk wel aan het praten krijgen over hun verhouding met jongere gezinsleden.
Davey, O. (2023). Mag ik ook mee? Antwerpen: De Vries-Brouwers.
Wij, volwassenen, kennen allemaal de held Hercules, groot, sterk en tot alles in staat. In dit prentenboek is Hercules een mier – ongetwijfeld ook echt sterk maar als mier misschien niet echt in staat om alleen zijn ding te doen. Want op de eerste bladzijde van het boek zie je de mieren al in een lange stoet allerlei spullen van klein tot groot naar het mierennest sjouwen. Hercules vindt dat wel fijn maar toch is zijn grootste wens om eens alleen te zijn, zonder de drukte van die grote mierenfamilie. Dat blijkt toch moeilijker dan hij dacht, want hoe maak je in je eentje een noot open bijvoorbeeld? Hercules moet de andere mieren telkens weer om hulp vragen maar besluit dan altijd: “Nu kan ik het echt zelf hoor!”. En dat is dan ook het thema van dit boek: je ontworstelen aan je familie, op eigen benen willen staan en dan ontdekken dat samenwerken met je familie ook echt loont. De tekst is opgedeeld in tekstblokjes van vier regels die rijmen volgens een vast patroon. Dat maakt het voorlezen wel gemakkelijk, maar houdt ook altijd het gevaar van dreunen in. De illustraties zijn grappig, superexpressief en sluiten wonderwel aan bij de tekst.
Siezenga, M. & Oirik (2025). Hercules. Kapellen: Pelckmans.
Het jongetje Nesta is erg gehecht aan zijn kater Bardo. Het is zijn beste vriend en hij praat er voortdurend mee. Er is maar één probleem: Nesta’s ouders zijn gescheiden en in de week waarin Nesta bij zijn papa woont, moet hij Bardo bij zijn mama achterlaten en dat vindt Nesta echt vreselijk. Hij probeert daarvoor een oplossing te vinden en neemt Bardo stiekem mee in zijn schooltas op de dag dat hij naar papa gaat. Dat loopt niet van een leien dakje want Bardo plast in zijn schooltas, verraadt zich bijna in de klas enz. Eens aangekomen bij papa is Bardo onmiddellijk geïnteresseerd in de kat van de buurvrouw. Daarom springt hij – tot ontzetting van de buurvrouw – bij die buurvrouw op het balkon. Zij brengt heel snel die ‘vieze’ kater terug naar Nesta’s papa. Toch krijgt de kat van de buurvrouw een beetje later kleine katjes en uit dat nest mag Nesta een katje kiezen. Zo heeft hij dan bij papa ook een vriend. Zijn beide huisdieren helpen Nesta om de scheiding van zijn ouders te verwerken en om om te gaan met de nieuwe liefdes van zijn papa en mama. Een boek dat echtscheiding echt bespreekbaar maakt omdat de aanwezigheid van de huisdieren de toon eerder licht houdt maar tegelijkertijd het verdriet dat bij zo’n scheiding ook altijd aanwezig is, een plaats geeft.
Kuyper, S. & Grootzus (2019). Kom je mee? Amsterdam: Rubinstein.
Tes en Carmen Klein wonen met hun kinderen een parkiet, een konijn en twee honden in een superschattig huis op een heuvel. En… in dat huis kan er nog altijd eentje bij: oud of jong, allochtoon of autochtoon, mensen met een beperking, gezinnen met twee papa’s of twee mama’s, gezinnen met een alleenstaande papa, … Want hoewel we ons daar niet altijd bewust van zijn, leven we in een erg diverse samenleving. Van die samenleving bevat het huis van Carmen en Tes een doorsnee. Dat is handig want op die manier zal elke kleuter zich wel in de een of de andere gezinssituatie herkennen. De kleurrijke illustraties kloppen met de tekst en laten veel ruimte om personages die tijdens het voorlezen aan bod komen te zoeken en aan te wijzen. De dialogen in de tekst zijn gevarieerd en zorgen voor afwisseling tijdens het voorlezen.
Van Donkelaar, M. & Roozeboos (2023). Er kan er altijd eentje bij. Rijswijk: De Vier Windstreken.
Het is erg druk in de Ooievaarscentrale Eiber en C°. Omdat er zoveel baby’s bezorgd moeten worden, vraagt de centrale aan de gepensioneerde ooievaar Stork of die nog eens kan inspringen. Dat wil Stork graag, alleen werkt zijn geheugen niet meer zo goed. Dus vergeet hij het adres waar hij het kleine babymeisje met het wipneusje moet afleveren. Zijn vleugels worden moe, de baby krijst steeds harder en dan ziet hij Saar staan in haar tuintje en hij weet het zeker: Bram en Saar zijn de geschikte ouders. Maar vooraleer Stork bij Saar en Bram aanbelandt, komt hij bij de familie Suurmondt die van baby’s niet gediend is; of bij Mevrouw De Hondt die geen baby’s maar poesjes wil; of bij de familie Konijnenberg die liever eens een jaartje zonder nieuwe baby wil; of bij Bas en Jaap die zelf al een kindje gaan ophalen met het vliegtuig; of… Zoveel verschillende gezinnen dat elke kleuter zich wel in 1 van die gezinnen kan herkennen. In zachte tinten geaquarelleerde illustraties over een dubbele pagina sluiten mooi aan bij en vormen een sfeervol geheel met de tekst. Die is in de egaal gekleurde delen van de illustraties gedrukt en vaak spitsvondig. Dat humoristisch gehalte is dikwijls te hoog gegrepen voor kleuters maar zal de voorlezers zeker plezier bezorgen.
Meinderts, K. & Fienieg, A. (2021). Stork. Hoorn: Hoogland & Van Klaveren.
Ook in dit boek is er een huis waar plaats is voor iedereen. Pats, de verteller, verhaalt hoe haar moeder alleen in een huisje woonde tot ze verliefd werd op een meneer met twee kinderen. Ze trokken bij Pats moeder in en een beetje later werd Pats geboren. Vanaf dan vermeerdert het aantal inwoners in het huisje zienderogen en komen er steeds meer kamers bij. Allerlei personages uit kinderliedjes komen inwonen; denk aan: Tante Kee, Berend Botje, de spin Sebastian, …Daarna allerlei dieren die een plaatsje zoeken en krijgen in het huis van Pats moeder: een poezenfamilie, een leeuw, een eenzame beer, … Je ziet op de illustraties het huis haast dichtgroeien zoveel inwoners zijn er. En dat… is niet naar de zin van de meneer van de gemeente want de bouwvoorschriften zijn niet gevolgd. Superleuk verhaal over er zijn voor een medemens en tegelijkertijd komt de vraag op: hoever ga je in het opvangen van anderen? Maar Yvonne Jagtenberg maakt er een heerlijk positief verhaal van. De illustraties van haar hand zijn ook erg herkenbaar: verschillende kleurvlakken, haar ‘naïeve’ tekenstijl, illustraties verdeeld in verschillende hokjes die wat doen denken aan een stripverhaal, …
Jagtenberg, Y. (2023). Mijn huis is jouw huis. Amsterdam: CPNB.
We weten allemaal dat papa’s best handig zijn als je te veel eten op je bord hebt; ze eten jouw restjes met liefde op. Maar ouders doen nog veel meer. Ze zijn superhandig wanneer je aan het strand een zandkasteel wil bouwen want dan kunnen ze dienen als bodem. Of je kunt hen gebruiken als lastdier, als stoel, als klimpaal of uitkijktoren, als voorlezer, opruimer, … In dit humoristische prentenboek kan dit allemaal. Daarom kan je het thuis of in de klas ook goed gebruiken als uitgangspunt voor een gesprek over ouders: hoe ervaren de kleuters hen? Het boek bevat kleurrijke illustraties die al die knotsgekke situaties uitbeelden en kleuters dus ook op ideeën kunnen brengen.
Bently, P. & Ogilvie, S. (2015). Zo zijn ouders. Rotterdam: Lemniscaat.
In dit informatieve boek van uitgeverij Usborne focust de auteur op de verschillende soorten gezinnen die er bestaan want ‘het normale gezin’ bestaat niet. Denk aan gezinnen met twee mama’s of twee papa’s, eenoudergezinnen, gezinnen met enkel huisdieren, gezinnen met pleegkinderen, nieuw samengestelde gezinnen, …Doorheen het boek groeit ook het besef dat gezinnen in de loop van de jaren kunnen veranderen, bv. groter worden, in twee splitsen, … Je leest en ziet de verschillende rituelen die gezinnen onderhouden, je beseft dat er gezinnen zijn waar twee talen worden gesproken, dat gezinshobby’s erg verschillend kunnen zijn, … Echt alles is bespreekbaar en wordt op een bevattelijke manier uitgelegd. Per vraag/thema is een dubbele pagina voorzien waarin tekst en – vaak humorvolle – illustraties gelijk opgaan. Tussen de verschillende ‘thema’s’ door zijn er vragen die de lezer/toehoorder moet oplossen of opdrachten die hij moet doen zodat hij zijn eigen situatie kan vergelijken met wat voorligt. Achteraan in het boek is ook een verklarende woordenlijst opgenomen. Geweldig boek om familievragen te beantwoorden.
Brooks, F. & Ferrero, M. (2020). Allemaal gezinnen. Londen: Usborne.
‘Jammer dat je niet door de muren heen kunt kijken. Maar daar vonden we wat op. We lieten de muren weg. Het is nog maar net licht maar er is al veel te zien.’ Op deze manier nodigt de auteur op de eerste dubbele pagina de lezer/toehoorder uit een kijkje te nemen in een groot huis waarin verschillende gezinnen samen wonen. Het huis wordt bekeken van boven tot onder. Er volgen nog 5 van dergelijke dubbele pagina’s. Daarop is telkens een bepaalde verdieping te zien met daarin de kamers waar van alles gebeurt. Bv. opstaan om 8u, schilderen, pompoenen kweken in de moestuin, … Want rond het huis ligt een tuin die op elke spread ook aanwezig is. De spreads nodigen stuk voor stuk uit tot zorgvuldig kijken. Op de laatste spread krijg je dan de voorgevel van het huis te zien terwijl de avond valt. De korte tekst onder de illustratie is een zakelijke beschrijving van wat er te zien is. Van een verhaal is dus geen sprake. Maar het boek leent zich wel om samen met jonge kleuters de vergelijking met hun eigen woonst te maken.
Berner, R.S. (2023). Ons huis. Kijk- en voorleesboek. Tielt: Lannoo.
Op de cover van dit kijk- en zoekboek op groot formaat, zie je wie er woont in het grote huis aan de Koekstraat 3. Meneer Uil woont op de bovenste verdieping en wil graag slapen maar dat is niet zo eenvoudig met de muizenfamilie die onder hem woont. Naast de muizenfamilie neemt de familie Kat haar intrek. Daaronder woont Meneer Beer. Hij is ziek en ligt in bed maar staat toch op in het verder verhaal om zijn onderbuurjongen, Ko Konijn een verjaardagsgeschenkje te kunnen aanbieden. Want de familie Konijn woont op het gelijkvloers en bereidt daar het verjaardagsfeestje van Ko voor (slingers hangen, taart bakken, …). Naast Meneer Beer woont de familie Vos. Daar is een klein Vosje op komst. Naast de familie Konijn woont de familie Egel die wacht op de thuiskomst van papa Egel. Op de volgende dubbele pagina’s krijg je eenzelfde doorsnee van het grote huis, maar bij elke familie kabbelt het verhaal verder. Je hebt ogen tekort om alle veranderingen op te merken en de grapjes in het oog te krijgen die in de tekeningen verstopt zijn. Net zoals de sprookjesfiguren die in en rond het huis aanwezig zijn. Denk aan de drie biggetjes die ontsnappen aan de wolf, maar je ziet daarna Roodkapje al opduiken. Dankzij het grote formaat leent dit boek zich uitstekend tot zoekopdrachten voor kleuters waardoor ze spelenderwijs hun woordenschat kunnen uitbreiden. De stijl van Marianne Dubuc is erg herkenbaar: lieve, eerder naïeve tekeningen die rust brengen in het zoekboek ook door hun zachte kleuren.
Dubuc, M. (2019). Bij jou, bij mij. Amsterdam: Boycott Books.
In
dit prentenboeken met kleurrijke illustraties staan een heleboel korte versjes. Ze hebben verschillende gezinsleden als onderwerp: denk aan oma’s en opa’s, huisdieren, broertjes en zussen, … Een voorbeeld:
Mijn broer zit in een rolstoel,
dat vind ik echt niet raar.
Meestal zijn we dikke vrienden,
maar soms plagen we elkaar.
En ook al heeft hij enkel wielen,
hij zit me heel vaak op de hielen.
De versjes spelen sterk in op diversiteit: ‘het normale gezin’ bestaat niet, de doorsnee mama of – papa ook niet. De versjes zijn kort en gemakkelijk te memoriseren. Best leuk voor een grootoudersfeest of een Moeder- of Vaderdag.
De Volder, I. & Verhoeff, N. (2024). Diversjes. Hasselt: Clavis.
Het voorliggende boek is een omkeerboek in de letterlijke betekenis van het woord: aan de ene kant van het boek, komt zus aan het woord. Keer je het boek om dan komt aan de andere kant broer aan het woord. Allebei hebben ze best wat te klagen over hun respectieve broer of zus. Maar eigenlijk vinden ze het allebei ook wel fijn om een broer/zus te hebben. Want wanneer broer op kamp is, mist zus hem echt. Wanneer broer bang is van het monster dat in de slaapkamer woont, zorgt zus ervoor dat die angst overgaat. Maar of er nu echt nog een broer of zus bij moest komen, daarover hebben beiden hun twijfels … De relatie tussen zus en broer die hier geschetst wordt, is zeer herkenbaar voor kleuters. De illustraties in pasteltinten vertellen eigenlijk het verhaal. De beknopte tekst voegt er nog wat verhaal aan toe. Afhankelijk van de situatie start je met het voorlezen van de ene of de andere kant van het boek.
Bonilla, R. (2019). Zus & broer. Broer & zus. Rijswijk: De Vier Windstreken.
Breng een foto van je familie mee naar de klas. Naar aanleiding van die vraag kiest onze verteller ervoor om zijn familie te tekenen in plaats van een foto uit te kiezen. Het wordt een fantastische tekening met drie indrukwekkende vaders, een moeder-president, een ongezien sterke supermama, 12 broers en zussen en een halve dierentuin aan huisdieren, met als pronkstuk een ongelofelijk grote, ongelofelijk gevaarlijke leguaan. Wat een familie! Al snel moet hij bekennen dat andere families zijn verbeelding aan het werk gezet hebben. Zijn vriendjes lijken immers allemaal veel toffere families te hebben dan hij. De ene heeft een moeder die heldhaftige daden stelt bij de brandweer, de andere heeft twee vaders, nog een andere heeft acht broers en zussen en hij heeft zelfs een vriend met twee vaders én twee moeders. In zijn ogen kan het contrast met zijn saaie, kleurloze gezin niet groter zijn. Tot hij toch even stilstaat bij de fijne momenten die ze samen meemaken. Dan blijkt zijn kleurrijke fotocollectie toch een stuk groter dan verwacht … Zo heerlijk als de tekening van het gefantaseerde gezin, zo fantastisch is dit verhaal dat in wezen het familieleven in al zijn vormen viert. Dat feestelijke straalt ook af van de kleurrijke illustraties met een zeer expressieve verteller die de lezer meeneemt in alle gevoelens die familie bij hem oproept. Pim Lammers toont ons weer hoe evident en plezierig diversiteit kan zijn, maar weet vooral ook opnieuw te overtuigen als schrijver. Met een prettig voorleesritme, een vrolijke verbeelding, geestige humor én veel zachtheid brengt hij een onweerstaanbaar verhaal, dat kleine én grote lezers in hun hart zullen sluiten.
Lammers, P. & Stenvert, N. (2024). Een ongelofelijk grote, ongelofelijk gevaarlijke leguaan. Amsterdam-Antwerpen: Querido.
Aldo en Rino zijn verzot op de spaghetti van hun nonna. Die laatste struikelt bij het opdienen van de lekkernij over een speelgoedauto, waardoor de twee jongens het met één bord spaghetti moeten stellen. Ze slurpen de slierten vliegensvlug op tot ze elk een uiteinde van de allerlaatste spaghettisliert in hun mond hebben. Geen van beiden wil toegeven, wat maakt dat ze dagenlang met een lange sliert tussen hen in door het leven gaan. Tot één van hen noodgedwongen moet loslaten … De sliert wordt doorheen het verhaal voor tal van doeleinden gebruikt: waslijn, springtouw, leiband, vlaggenlijn, veter, enz. Terwijl de sliert aanvankelijk de oorzaak van de ruzie is, zal die uiteindelijk ook voor de nodige verbinding zorgen. Een heerlijke pizza van nonna staat als beloning te wachten, maar bij het opdienen struikelt ze … Jacques en Lise kunnen als geen ander duidelijke lijnen in een verhaal combineren met ruimte voor verbeelding. Jonge kinderen zullen heel wat herkennen in het verhaal over ruziënde broers en kunnen tegelijk plezier beleven aan de prikkelende fantasie die gepaard gaat met de spaghettisliert. Die ruimte voor suggestie zit bovendien ook in de illustraties en in de boodschap van het verhaal die in eerste instantie eenvoudig lijken. Heb je woorden nodig om een ruzie bij te leggen? Kan loslaten soms net helpen om te verbinden? Is samen spelen altijd de plezierigste optie? En zo wordt dit schijnbaar simpele verhaal enkel boeiender naarmate je het herleest.
Jacques & Lise (2023). Aldo & Rino. Antwerpen: Pelckmans.
De uitgangsvraag van dit prentenboek is: op wie gelijk ik? De ik-figuur die deze vraag stelt is Tolikrolivaar, het kind van papa Krokovaar (krokodil en ooievaar) en mama Tijgofant (tijger en olifant). Je erft dus altijd een deeltje van verschillende mensen. En zo komen verschillende dieren aan bod. De achtergronden waarin de verschillende dieren functioneren zijn een ander boeiend aspect in dit boek juist omdat die zo verschillend zijn. Denk aan de lucht en het weiland voor de ooievaar en het ondiepe en diepere water voor de krokodil. Verder speelt dit verhaal met taal wat het uitermate geschikt maakt voor de oudste kleuters.
Hoogstad, A. (2016). Mijn oma is een ooievaar. Rotterdam: Lemniscaat.
Het onderwerp van deze bundel is ‘zorg dragen voor’ en daaruit voortvloeiend: warme familiebanden. De personages die de ik-figuur – een kleine jongen/meisje dat naar de wereld kijkt – omringen, zijn papa en mama, oma en een kleine zus. In de illustraties worden ze voorgesteld d.m.v. dierfiguren die steeds wisselen. Daaraan moet je wel een beetje wennen maar aangezien de gedichten elk afzonderlijk kunnen gelezen worden, is dat ook niet zo belangrijk. Over het algemeen zijn de versjes ontroerend en humorvol tegelijk. Juist daarom bieden ze de mogelijkheid om rond de verschillende aspecten van het gezinsleven en over bepaalde aspecten van het leven en de dood, het gesprek aan te gaan.
Het is niet echt heel erg
maar leuk is het niet.
Het is meer zoiets
als pech gehad,
een kruimeltje
verdriet.
Als papa koffie wil
en je mama thee
– je bent in een café –
en ze vragen: ‘wat wil jij?’
Dan wil je het liefste appelsap
maar daar krijg je
geen koekje bij.
Van Os, E. & Van Lieshout, E. (2016). Niets liever dan jij. Amsterdam: Querido.
Kijk, zo af en toe verschijnt er een boek waar je als kleuteronderwijzer of dagelijkse voorlezer alleen maar gelukkig van kan worden. Het concept van een verhalen- en verzenbundel die de lezer een jaar rond leidt, is niet nieuw, maar dit soort vuistdikke bundels zijn zelden zo goed geschreven en eigentijds als ‘Een dik jaar met Julia en Ot’. Samen met de twee kinderen beleef je de seizoenen en jaarlijkse feesten als Sinterklaas, Nieuwjaar en Pasen. Daarnaast is er in de bundel ook ruim plaats voor eerder dagelijkse belevingen zoals een drukke ochtend beleven, een lastige muggensteek hebben, nieuwe kleren krijgen, verkouden zijn, een lekke kraan herstellen en werken in de moestuin. Het geheel zal voor tal van kinderen en hun voorlezers heerlijk herkenbaar zijn. Zo opent de bundel met een verhaal over de vierjarige Ot die een show geeft die enkel uit een buiging bestaat. Zijn buiging wordt door papa op enthousiast applaus onthaald. De korte verhalen worden afgewisseld met versjes en liedjes. Het geheel krijgt kleur dankzij de frisse illustraties van Sandra Klaassen.
Van Lieshout, E. & Van Os, E. (2022). Een dik jaar Julia en Ot. Amsterdam: Rubinstein.
Ari en Loek vormen samen met papa Guus en mama Jikke en hun babybroertje Wolf een nieuw samengesteld gezin. Een ‘samengezin’ zoals Yvonne De Vries dat noemt.(En dat is maar één van de vele ‘nieuwe’ woorden in het boek. Denk aan ‘traanfontein’, ‘gelukswangen’, ‘wogeren’ = wonen + logeren, …). Ze hebben het behoorlijk druk met logeren bij oma en opa, met het feest voor een 100-jarige tante, met boottochtjes met opa, … Maar de wereld staat stil op de dag dat opa overlijdt. Iedereen gaat op zijn eigen manier om met dat verdriet. Loek kan opeens niet meer praten. Dat komt omdat hij een brulmannetje als een frommel in zijn buik heeft zitten. Oma zit in een wolk van verdriet en is erg wankel. Elk gezinslid beleeft dat overlijden op zijn eigen manier. Dat wordt door de auteur heel warm, respectvol en teder beschreven. Doorheen de 21 hoofdstukken die dit boek telt leer je het gezin en de ruimere familie kennen. Alle leden hebben het druk maar dat is op een eigentijdse en plezierige manier beschreven. Kleuters (en ook de voorlezer) zullen de avonturen met plezier volgen en vast en zeker aanknopingspunten bij hun eigen leven vinden. Harmen van Straaten illustreerde de verhalen met aquarellen in verschillende formaten tot paginagroot. Hij slaagt erin de sfeer van het boek volledig te vatten. Heerlijk voorleesboek!
De Vries, Y. (2024). Helemaal Ari en Loek. Hoorn: Hoogland & Van Klaveren.
De verhalen over Jip en Janneke zijn lange tijd de standaard geweest als het om de het herkenbaar vertellen over het dagelijkse leven van jonge kinderen ging. Ze waren voor hun tijd dan ook erg vernieuwend. Maar anno 2026 zien gezinnen er toch net een tikkeltje anders uit. Wil je daarover vertellen dan kom je met dit boek zeker aan je trekken. Doorheen 38 hoofdstukjes vertelt de auteur over de avonturen van twee ondernemende kinderen, Lotte en Roos. Zoals alle kinderen ruziën ze weleens met elkaar, proberen ze hun vader om te kopen en vinden ze hun moeder af en toe wel erg streng. Zoals nu bijvoorbeeld: de lievelingshond van Roos en Lotte, Bullebak, heeft een nieuwe thuis nodig. Lotte en Roos willen hem die dolgraag geven, maar hun mama ziet dat niet zitten. Dus bedenken Lotte en Roos samen met hun vriendjes Lasse en Joppe een plan: ze zullen Bullebak verbergen en Roos zal hem dan ’s nachts uitlaten. Uiteraard loopt dat niet van een leien dakje, alhoewel… Vlot geschreven en fris geïllustreerde verhaaltjes over het dagelijkse leven van Lotte en Roos en hun gezin. De verhaaltjes bevatten veel dialogen – prettig om voor te lezen – en vaak humor. De verschillende karakters van de gezinsleden worden prettig verwoord én geïllustreerd. Vergelijk bv. eens de voor – en achterflap van het boek waarop het volledige gezin getekend is.
Smithuis, M. & Schaap, A. (2017). Lotte & Roos. De slag om Bullebak. Amsterdam: Querido.
Luna is het hoofdpersonage van dit boek. Ze stelt 1001 vragen aan haar ouders over haar afkomst. In antwoord daarop ontrafelen haar ouders voor haar en voor de lezers het geheim van afstamming en verwantschap. Zo ontdekt Luna dat ze het product is van ‘heel veel liefde’. De illustraties die dit boek mee bijzonder maken stralen evenveel warmte uit als wat de ouders van Luna haar vertellen.
De Doncker, W. (2017). Ik ben heel veel liefde. Leuven: Davidsfonds – Infodok.
Muis wordt door Mevrouw Merel meegenomen naar een nieuw huis, waar gele en blauwe Vlinder wonen. Maar echt op zijn gemak voelt hij zich daar niet. De bloemenkledij, het behang met bloemetjes, het ontbijt met graantjes en honing — en vooral de regel dat er niet gespeeld mag worden — geven hem een unheimlich gevoel. De vlinders geloven dat je iemand anders kunt worden dan wie je bent, maar Muis weet wel beter. Stiekem sluipt hij weg. In elk volgend hoofdstukje belandt Muis in een ander huis. Telkens wordt hij vriendelijk onthaald, maar nergens voelt hij zich echt thuis of veilig. Uiteindelijk kiest hij ervoor om alleen in een grot te gaan wonen. Maar zelfs daar is hij niet alleen: de vleermuizen die hij daar ontmoet, zorgen onverwacht voor dat warme thuisgevoel waar hij al die tijd naar op zoek was. Zonder het met zoveel woorden te zeggen, vertelt het boek over een pleegkind op zoek naar geborgenheid. De tekst van Kolet Janssen en de illustraties van Stien van Kerckhoven zijn gevoelig, zonder zwaar te worden. Angst en verdriet krijgen een plek, maar zijn altijd gecombineerd met hoop en avontuur. Een thuis voor Muis is een langer verhaal, opgedeeld in korte hoofdstukken. Het is ideaal om voor te lezen aan oudere kleuters die al mee kunnen denken over grote vragen. Wat is ‘thuis’? En mag je jezelf zijn?
Janssen, K. (2025). Een thuis voor Muis. Eke: De Eenhoorn.