THEMATOPPER

Dood-gewoonDeze prachtig geïllustreerde poëziebundel zou in geen enkele schoolbibliotheek mogen ontbreken. Bette Westera slaagt er in in 46 gedichten op een veelzijdige manier over de dood te schrijven. De dood en de nevenaspecten ervan komen aan bod: dood van een te vroeg geboren kindje, zelfmoord, dood van grootouders, dementie, dood in andere culturen, het gemis, de dood van een klasgenootje waardoor er in de klas een stoel staat die  ‘de leegste stoel die er bestaat’ is, … Bij sommige gedichten moet je glimlachen, andere grijpen je aan, nog andere zijn zo fijnzinnig dat je er stil van wordt. Daarbovenop komen de prachtige illustraties, het juist genuanceerde kleurgebruik, de prachtige uitgave met halve en hele bladzijden en leeslinten, … Kortom een prachtig geheel dat perfect in kleuter- en basisschool kan gebruikt worden mits begeleiding door volwassenen.

Westera, B. (2014). Dood-gewoon. Haarlem: Gottmer.


JONGE KLEUTERS

ik mis mama”Een tijdje geleden hebben we afscheid genomen van mama. Ik weet niet precies waar ze naartoe is gegaan.” Zo begint het verhaal over een jongetje dat als kleuter zijn mama verliest en met zijn gevoelens en gedachten daaromtrent geen weg weet. Hij probeert haar te zoeken maar ziet enkel nog haar spullen. Zou mama echt al haar spullen vergeten zijn? Hij legt samen met zus en papa bloemen op het graf maar die blijven gewoon liggen. Wil mama ze wel? Het boek slaagt er goed in de verschillende verwarrende fases die bij rouwverwerking horen aan bod te laten komen. Op die manier ontstaat mogelijk herkenning bij kleuters die zich in een gelijkaardige situatie bevinden.

Cobb, R. (2014). Ik mis mama. Leidschendam: NBD Biblion.


lieve oma pluisDit boek is een ‘echt’ Dick-Bruna-boek zowel wat de tekenstijl betreft – heldere kleuren, eenvoudige lijnen en zwarte omkadering – als wat de beknopte tekst op rijm betreft. Het vertelt over een onderwerp dat voor de allerjongste kleuters niet echt te vatten is. De oma van Nijntje is gestorven en dat doet Nijntje veel verdriet. Hij ziet haar opgebaard liggen, maakt mee hoe ze begraven wordt en plant daarna plantjes op haar graf. Zo voelt hij zich nog even dicht bij haar.

Bruna, D. (1996). Lieve oma Pluis. Amsterdam: Mercis Publishing.


Siens hemelEr bestaan een heleboel prentenboeken over sterven, afscheid nemen en rouw. Sommige ervan troosten, andere ontroeren. Siens hemel doet het allebei. Dat heeft te maken met de prachtige illustraties die van donker naar licht gaan én met de levensechte vragen die Klein Broertje stelt en waarop volwassenen niet altijd een antwoord weten. Zo is er bv. de vraag: Wordt Sien nu dubbel nat als het regent? In de grond en in de hemel? Of de vraag: is daar iemand om Sien te aaien? Het is vooral de fantasie van Klein Broertje die troost biedt. Zeker wanneer de volgende morgen de zon schijnt en Klein Broertje zegt dat hij Sien hoort blaffen vanuit de hemel. De volwassenen luisteren mee en… nu horen ze het ook: Sien heeft zijn plekje in de hemel gevonden. Voor alle duidelijkheid ‘Sien’ in dit verhaal is een hond. De vragen die gesteld worden in het verhaal, zijn overdraagbaar en dus evengoed geldig bij de dood van een mens.

Dumon Tak, B.(2016). Siens hemel. Amsterdam/Antwerpen: Querido.


Een lange dag

Het varkentje Martje heeft een oma met wie ze heel goed opschiet. Ze amuseren zich samen en hebben het gezellig. Maar oma voelt haar einde naderen en ze vindt één ding het allerbelangrijkste: Martje wijzen op de mooie dingen van het leven en haar die meegeven.  Doorheen de illustraties en de eenvoudige tekst die veel open laat, komen twee thema’s aan bod. Enerzijds is er het belang van liefde, vriendschap en anderzijds het belang van afscheid nemen op een serene manier. De illustraties in warme pasteltinten zijn van de hand van Ron Brooks die ook ‘Borre en de nachtzwarte kat’ geïllustreerd heeft.

Wild, M. (1995). Een lange dag. Rotterdam: Lemniscaat.


De oude olifantMuis en Olifant zijn boezemvrienden. Maar Olifant wordt oud en traag en hij voelt zich steeds vermoeider. Hij verlangt naar de plek waar alle olifanten heen gaan wanneer ze hun einde voelen naderen. Dus neemt Olifant op een avond een ander pad. Wanneer Muis hem vraagt waarheen dat leidt, antwoordt Olifant dat Muis dat wel zal zien. Uiteindelijk staan ze aan de rand van een diepe ravijn. Aan de overkant ervan ligt het land waar de oude Olifant heen wil gaan maar de hangbrug ernaar toe is stuk. Muis stelt voor de hangbrug te herstellen op voorwaarde dat Olifant dan van dat land terug keert. ‘Nee,’ zei Olifant, ‘niemand kan terugkeren van dat land.’ ‘Maar ik wil niet dat je weggaat,’ zei Muis. Dus keert Olifant om en leven Muis en Olifant samen verder alsof er niks aan de hand is. De seizoenen gaan en komen en het gaat steeds slechter met Olifant. In stilte werkt Muis aan de hangbrug omdat ze weet dat het vertrek van Olifant onontkoombaar is. Dan vertrekt de oude Olifant voorgoed…

Bourguignon, L. (2014). De oude olifant. Hasselt/Amsterdam: Clavis.


Het egeltje onder de oude boom

Papa en mama Egel zijn heel gelukkig met de geboorte van hun kleine egeltje. Maar al snel wordt duidelijk dat het kleine egeltje zijn eerste verjaardag niet zal halen. Het ziekteproces van het kleine egeltje wordt gekoppeld aan de voortgang van de seizoenen. Het kleine egeltje geniet erg van de zon en de wind maar sterft uiteindelijk wanneer het zomer wordt. De illustraties in zachte tinten beslaan meestal een dubbele pagina. De tekst bestaat uit korte zinnen. Een prentenboek dat gemakkelijk aanleiding geeft tot een gesprek over ziekte en dood.

Van Dooijewaard, C. (2013). Het egeltje onder de oude boom. Amsterdam: Nino.


Dag oma

De illustraties in dit prentenboek in oblong beslaan telkens een dubbele pagina waar de tekst sober doorheen is gedrukt. De tekeningen zijn ingekleurd met verf en pastelkrijt en doen af en toe, zeker waar close-ups van Lievekes gezicht worden weergegeven, een tikkeltje oubollig aan. Lieveke staat op elke tekening centraal, waardoor een sterk en duidelijk contrast ontstaat tussen de troostende natuur en de verdrietige Lieveke. Dieren die spreken en de gevoelens van mensen kunnen aflezen, passen perfect in het denken van jonge kinderen. Dat de uiteindelijke troost komt van een persoon die Lieveke vertrouwt en dicht bij haar staat, haar mama, is erg realistisch. Zowel wat de tekst als wat de illustraties betreft, ademt het boek een warme, zachte en gevoelige sfeer uit. De mogelijke identificatie van de doelgroep met het hoofdpersonage kan zorgen voor een vorm van troost bij jonge kinderen die met een definitief afscheid geconfronteerd worden.

Van Hooft, M. (2014). Dag oma. Zeist: Christofoor.


OUDERE KLEUTERS

Derk Das blijft altijd bij onsDerk, een das op jaren, voelt dat zijn einde nadert en heeft daar vrede mee. Hij voelt immers dat zijn lijf versleten is en denkt aan zijn eigen stramme poten wanneer hij de andere dieren ziet huppelen en rennen. Hij is wel bang dat zijn vrienden om hem zullen treuren en daarom schrijft hij hen een brief. Die avond sterft Derk Das. De auteur verhaalt het stervensproces als een droom van Derk die zichzelf door een lange tunnel ziet gaan, zijn stok niet meer nodig heeft en lijkt te zweven… De volgende morgen reageren de dieren verslagen, zelfs als Vos hen de brief van Derk voorleest. Bovendien wordt het winter en dat zorgt ervoor dat de meeste dieren eenzaam en verdrietig in hun hol zitten. Enkel Vos wandelt soms door het bos en houdt dan een praatje over Derk. Gelukkig volgt op de winter altijd de lente. De dieren zijn blij uit hun holen te kunnen komen. In lange samenkomsten halen ze herinneringen op aan Derk Das. En terwijl de sneeuw langzaam wegsmelt, verdwijnt al pratend hun verdriet om Derk.

Varley, S. (2006). Derk Das blijft altijd bij ons. Rotterdam: Lemniscaat.


Een boom vol herinneringenVos is oud en moe en sterft. De dieren treuren om hem maar al gauw halen ze herinneringen aan hem op. Het wordt een ware ‘boom’ van herinneringen en kijk… midden op de plek waar ze altijd samenkomen, komt een klein boompje met oranje vruchtjes te voorschijn. Op die manier blijft Vos altijd in hun midden.

Teckentrup, B. (2013). Een boom vol herinneringen. Haarlem: Gottmer.

 


Mols hoop

De titel van dit boek heeft twee betekenissen. Enerzijds laat Mol bij de bank van de boer veel molshopen achter. Anderzijds verwijst de titel naar de hoop die voor Mol ontstaat door haar gesprekken met de hond over de boer. Want hoewel de lente komt op de boerderij, voelt die lente voor de dieren niet aan als de andere jaren. De kleren van de boer hangen nooit meer aan de waslijn en dat stemt de dieren erg verdrietig. Elk dier uit dat verdriet op zijn eigen manier, maar gelukkig hebben ze elkaar en kunnen ze tegen elkaar over hun verdriet spreken. De grote verdienste van dit prentenboek is dat het doorheen de karaktertekening en de gevoelens van de verschillende dieren laat zien dat er verschillende manieren zijn om om te gaan met verdriet, dood en afscheid nemen. Zo speelt het biggetje bijvoorbeeld in de modder alsof er niets aan de hand is, terwijl hond voortdurend zijn oude plaats naast de bank opzoekt omdat de boer daar altijd zat. Bovendien komt de dood van de boer nergens expliciet ter sprake. Zijn kleren hangen nooit meer aan de waslijn.

Van Remoortel, K. (2014). Mols hoop. Rijswijk: De Vier Windstreken.


Het eiland van opa

Opa heeft een kleinzoon, Sem. Ze zijn de allerbeste maatjes. Op een dag toont opa een heel bijzondere plek op zolder: er is een schip verborgen. Daarmee varen ze naar een exotisch droomeiland. Sem moet terug, maar opa blijft daar achter. Dit boek over afscheid nemen zal voor jongere kinderen niet meer zijn dan een erg mooi geïllustreerd fantasieverhaal terwijl oudere kinderen daarin al snel de boodschap over ‘afscheid nemen’ zullen ontdekken. Wie de illustraties goed bekijkt, zal opmerken dat een heleboel spulletjes uit opa’s huis een plek krijgen op het droomeiland. Dat is fijn voor opa. Hij blijft wel achter maar in een mooie omgeving. Daardoor wordt het verdriet om het afscheid wat draaglijker. Tegelijkertijd kun je ook de vraag stellen of sterven voorstellen als een lange reis waarvan – wie weet – nog terugkeer mogelijk is, wel een goed idee is. In elk geval is dit boek als avonturenverhaal uitermate boeiend. Het boek is bekroond met de World Illustration Award 2015.

Davies, B. (2016). Het eiland van opa. Amsterdam: Luitingh-Sijthof.


De mooiste begrafenis van de wereld

De grote verdienste van dit boek is dat het laat zien dat dood een onderdeel van het leven is en dat kinderen de dood opnemen in hun spel en fantasie. Drie kinderen die zich vervelen zien een dode hommel liggen en besluiten haar een mooie begrafenis te geven. Zo krijgen ze de smaak te pakken en de hele verdere dag houden ze zich bezig in hun bedrijfje met het begraven dan dode dieren: drie haringen uit de koelkast, de dode hamster van de buren, een dode muis, een platgereden egel, … Daartoe richten ze een heus bedrijfje op ‘Begrafenis BV ‘ en verzamelen ze ook allerlei attributen. Net wanneer ze klaar zijn zien ze hoe een merel zich tegen de serre te pletter vliegt en dat vinden ze heel erg. Daarom bezorgen ze de merel de mooiste begrafenis van allemaal. De volgende dag zijn er andere dingen die hun aandacht opeisen…

Nilsson, U. (2007). De mooiste begrafenis van de wereld. Rotterdam: Lemniscaat.


Vier bevertjes en een kastanje

Vier bevertjes brengen een vers uit de boom gevallen kastanje naar Oude Bever. Die bevindt zich niet op haar lievelingsplekje want ze voelt zich zo moe. Wanneer de vier bevertjes de volgende morgen ontbijt brengen aan Oude Bever blijkt ze gestorven te zijn. Ze begraven haar en geven haar de kastanje mee. Wanneer daaruit een kastanjeboom groeit, herinnert die hen altijd aan Oude Bever. Verstild verhaal zowel wat de beperkte tekst als wat de sfeervolle illustraties betreft. Het verhaal spreekt zeker tot de verbeelding en laat kleuters op een eenvoudige manier kennis maken met de ‘dood’. Dat is meegenomen want vele leidsters vinden dit onderwerp niet zo gemakkelijk aan te snijden.

Dudok de Wit, M. (2007). Vier bevertjes en een kastanje. Leopold: Amsterdam.


Dat is heel wat voor een kat

Dit prentenboek is een echte klassieker – eerste uitgave 1971 –  in de reeks prentenboeken rond sterven, afscheid nemen, herinneringen. Roetje, de poes is gestorven en het meisje – de ik-figuur in het verhaal – is ontroostbaar. Haar mama laat haar nadenken of ze tien mooie dingen over Roetje kan verzinnen om de volgende dag te vertellen wanneer ze Roetje zullen begraven. Ze komt tot 9 tot ze met papa zaadjes plant in de tuin…

Viorst, J. (2007). Dat is heel wat voor een kat. Unieboek/Het Spectrum.


Stilte a.u.b.ik denk aan kip

De kip van het jongetje Onno Ebbe sterft. ‘Ze is van hier en nu naar het land van later gegaan.’ Onno begraaft de kip en krijgt daarbij een beetje medewerking van kraai en haan. Wat rest van de kip wordt in een kartonnen doos onder een lamp gezet. Onno Ebbe is vreselijk verdrietig en kan enkel nog aan zijn kip denken. Hij droomt zelfs over haar maar wanneer hij ontwaakt hoort hij gepiep uit de doos komen… De tekst is niet altijd even eenvoudig – vanaf 5 jaar – maar de illustraties zijn door hun kleurgebruik en de dikke verflagen erg bijzonder. Ze weten de sfeer van het verhaal perfect te treffen.

Hagen, H. (1995). Stilte aub ik denk aan de kip. Unieboek/Het spectrum.


Dit is het huis bij de kromme boom

Wanneer er een zusje bij komt wordt ‘het huis bij de kromme boom’ waarin het jongetje met papa en mama altijd gewoond heeft te klein. Het gezin verhuist. Gelukkig naar een huis dat het jongetje al kent: het huis van hun overleden oma. De verhuiswagen komt langs met een verhuizer die in de ogen van het jongetje reusachtige handen heeft (‘ de man met de grote knuist’). Alles wordt verhuisd maar tot groot verdriet van het jongetje – ‘dit is het eendje dat liggen bleef en dat ik missen zal zolang ik leef’ – wordt het badeendje vergeten. Gelukkig brengt de postbode het eendje dan nog achterna. Dit eenvoudig stapelverhaal op rijm vertelt over verandering en gemis. De veelvuldige herhalingen in de tekst – er komen telkens 2 rijmregels bij waarna de voorgaande worden herhaald – zorgen voor een gevoel van herkenning bij de jonge luisteraars. De prenten in warme pasteltinten zorgen voor de juiste sfeer.

Dros, I. (1997). Dit is het huis bij de kromme boom. Amsterdam/Antwerpen: Querido.


Een ster voor Amber

Robbe en Amber zijn heel goede vrienden. Op een dag blijkt Amber erg ziek te zijn en tot groot verdriet van Robbe moet ze naar het ziekenhuis. Robbe gaat elke dag bij Amber op bezoek ook wanneer ze steeds vaker in het ziekenhuis verblijft. Op een dag kijken ze samen in een boek over sterren. Tijdens het bekijken van de echte sterren, zegt Amber dat er binnenkort nog wel een klein sterretje bij zal staan. Later, wanneer Amber gestorven is, begrijpt Robbe haar uitspraak en helpt die hem het rouwproces om Ambers dood door te maken. Het boek is zeker geschikt wanneer kinderen met de dood van een klasgenootje of vriendje geconfronteerd worden omdat het verhaal vanuit kinderstandpunt verteld wordt. Het boek is wel duidelijk met dit opzet geschreven zodat het soms net iets té didactisch is opgevat. Gelukkig bieden de illustraties een mooi tegengewicht. Achteraan in het boek vinden volwassenen enerzijds tips voor de begeleiding van kinderen die met de dood geconfronteerd worden. Anderzijds geeft het boek ook aan op welke manier het boek in de klas gebruikt kan worden.

Demyttenaere, B. (2002). Een ster voor Amber. Averbode: Altiora/Averbode.


Groter dan een droomTegen een levensgrote maan zie je twee figuurtjes fietsen, een jongetje en een meisje. Dat is wat je op de cover ziet. Het verhaal begint waar een jongetje op een middag een stem hoort. Die blijkt van zijn zus te zijn. Het jongetje heeft die zus nooit gekend want ze is gestorven voor hij geboren werd. Maar het jongetje kent haar toch: ‘Ik had dit altijd al gevoeld. Het was een oud verdriet zonder tranen. Het hing als behangpapier in alle kamers van ons huis.’ De zus die zich als een echte ‘grote zus’ gedraagt, gaat met het jongetje fietsen. Zo lang en zo ver dat ze lijken te zweven. De fietstocht duurt één nacht. Daarna is het jongetje terug alleen maar nooit meer zo alleen als voor deze ontmoeting. De poëtische tekst wordt meesterlijk ondersteund door de dromerige prenten van Marit Törnqvist die alleen al doorheen het kleurgebruik laat voelen dat dit verhaal over zoveel meer gaat dan de dood. Het gaat ook over verlangen en gemis, over dromen en liefde en over verdriet.

Aerts, J. (2012). Groter dan een droom. Amsterdam: Querido.


Zien met je ogen dicht

Het uitgangspunt van Milja Praagman was de idee om een verhaal te schrijven over ‘dingen’ die verdwijnen. Het wonderlijke daarvan is dat je nog heel lang daarna onthoudt dat ze er wel geweest zijn. Hetzelfde gebeurt als ‘iemand’ verdwijnt/sterft. Door spullen die achterblijven wordt de herinnering aan die persoon tastbaar. Dat wordt heel mooi verwoord door de papa in het verhaal die zegt ‘er is altijd meer dan je denkt’ wanneer hij een stoeptegel oplicht en daaronder een mierennest aantreft. ‘Met je ogen dicht kun je soms zoveel meer zien.’ Dat ondervindt het hoofdpersonage bij de dood van haar opa. Eerder filosofisch prentenboek over afscheid nemen en herinneren.

Praagman, M. (2017). Zien met je ogen dicht. Wielsbeke: De Eenhoorn.


een opa om nooit te vergeten

De rode zakdoek van de opa van Joost loopt als een rode draad doorheen het verhaal. Aan die rode zakdoek zijn veel herinneringen verbonden. Wanneer opa een knoop in zijn zakdoek legde, deed hij dat om dingen niet te vergeten en dat lukte. Wanneer Joost paard mocht rijden op opa’s rug, kreeg hij de rode zakdoek als halsdoek. Joost vindt het vreselijk dat opa gestorven is want hij wilde hem nog zoveel vragen. Gelukkig is er de rode zakdoek waarin hij een knoop kan leggen. De tekst en de illustraties vormen een mooi geheel waarin het rode kleuraccent echt zijn plaats krijgt.

Westera, B. (2010). Een opa om nooit te vergeten. Utrecht: De Fontein.


Mare en de dingen

Oma en Mare zijn twee handen op één buik, een duo dat blaakt van levenslust. Tot Oma ziek wordt en haar spraakvermogen verliest. Voor heel veel mensen die Oma omringen een probleem, maar niet voor Mare. Zij vindt een manier om toch nog met haar oma te kunnen communiceren. Zij is de enige die begrijpt wat Oma zegt want: ‘Ze las het in haar ogen en plukte de letters uit grootmoe’s mond. Voorzichtig. Want grootmoe was traag geworden. Heel erg traag.’ De tekst van het verhaal zit echt op niveau van de doelgroep en dat zorgt voor reflectie. Daarom is dit boek uitermate geschikt voor een gesprek met kleuters over ziek zijn, afscheid nemen van iemand zoals die altijd geweest is en omgaan met verandering.

Mortier, T. (2009). Mare en de dingen. Wielsbeke: De Eenhoorn.


Ik had je nog zoveel willen zeggen

Maatje, de beste vriend van Das, is dood en begraven. Das mist zijn Maatje heel erg en besluit naar hem op zoek te gaan ook al weet hij dat Maatje begraven is. Eerst schrijft hij een brief die hij meegeeft aan Roodborstje. Roodborstje belooft naar Maatje te zoeken en als ze hem niet vindt de brief aan de wind mee te geven want die komt overal. Daarop besluit Das veel brieven te schrijven en deze aan ballonnen de lucht in te sturen. Daarna vouwt Das bootjes van zijn brieven en geeft ze mee met de stroom. Maar zonder resultaat. Das wordt er heel boos van: hij roept en trapt tegen de bomen, hij wil Maatje niet ver weg maar dichtbij! Das schrijft nieuwe briefjes die hij aan de bomen in het bos spijkert. Veel dieren leven met Das mee maar ze weten niet zo goed hoe ze Das kunnen helpen. Dus vertellen ze Das over de dingen die ze beleefden met Maatje of ze nodigen Das uit om taart te komen eten gemaakt volgens een recept van Maatje. Op die manier kan Das praten over Maatje. dat beurt hem op want hij voelt zich eigenlijk verschrikkelijk moe van dat zoeken. Das besluit nog één briefje naar Maatje te schrijven: ´Lief Maatje, Ik heb je gezocht vandaag. Zocht je mij ook? Ik ben op onze plek. Das´ Zittend op hun lievelingsplekje, turend naar de sterren, voelt Das zich een beetje minder alleen.
De sterkte van dit boek is dat het toont dat omgaan met verdriet moeilijk en frustrerend is en ook vermoeiend en niet evident. Het is goed dat kleuters horen dat dergelijke gevoelens in rouwverwerking niet ongewoon zijn.

Van Nieuwenhuyze, M. (2013). Ik had je nog zoveel willen zeggen. De Meern: Levendig uitgever.


De eend, de dood en de tulp

Eend maakt kennis met een personage dat zich steeds in haar buurt bevindt. Het blijkt de dood te zijn. Eend en de dood trekken samen op en sluiten min of meer vriendschap. Tot Eend het zo koud krijgt dat de dood haar op moet warmen. Dat is het einde van Eend. De auteur slaagt er op een meesterlijke manier in langzaam en zorgvuldig een spanningsboog op te bouwen. De sobere illustraties waarin de figuren duidelijk emoties tonen ondersteunen deze spanningsboog. Omdat Eend en de dood samen spreken over dood-zijn en over een wereld zonder Eend geeft de tekst ruimte aan reflectie en zelfreflectie. Een mooi geheel dat goed geschikt is om een als moeilijk ervaren onderwerp bij vijfjarigen ter sprake te brengen.

Erlbruch, W. (2016). De eend, de dood en de tulp. Hoorn: Hoogland en Van Klaveren.


Knikkers op de weg

Dit prentenboek is geschreven met het duidelijke doel om met jonge kinderen te kunnen praten over ‘dood door een verkeersongeval’. Het verhaal bevat veel tekst maar is wat de verhaallijn zelf betreft vrij eenvoudig. Wardje komt samen met zijn broer Elias en het buurmeisje Nena van school. Wardje is erg opgewonden want hij heeft net een heleboel mooie knikkers gewonnen. Daardoor let hij niet zo goed op en stapt door het rode licht. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Wardje sterft in het ziekenhuis. Na het verhaal beschrijft Peter Adriaenssens op welke manier je als leerkracht, ouder, arts, … het best reageert op zussen of broers van een verkeersslachtoffer. Dit boek verschilt van andere prentenboeken rond de dood vooral door het feit dat het verkeersongeluk als oorzaak van de dood expliciet benoemd worden. Daarom is het aan te raden dit boek altijd onder begeleiding aan te bieden.

Dieltiens, K. (2005). Knikkers op de weg. Hasselt/Amsterdam: Clavis en Drunen: Delubas.


Wanneer word je dood?

Opnieuw een boek dat in de schoolbibliotheek niet mag ontbreken al is maar omdat het een ruime leeftijdsgroep beslaat m.n. 3-12j. Spreken over de dood met kinderen is niet altijd eenvoudig. De auteur geeft aan wat de moeilijkheden hierbij zijn en hoe die op te lossen zijn. Aan de hand van voorbeeldverhalen komen vragen en opmerkingen van kinderen aan bod en er zijn ook enkele gedichten. Het boek eindigt met een lijst van verwijzingen naar literatuur, prentenboeken, leesboeken en bevat ook een woordenlijst en praktische tips.

Fiddelaers-Jaspers, R. (2013). Wanneer word je dood? Ten Have.