Klassiekers

We openen met een heuse klassieker die voor het eerst in 1969 op de markt is gebracht. Ondertussen werd Rupsje Nooit Genoeg vertaald in 63 talen en talloze malen heruitgegeven. Het boek heeft de auteur Eric Carle geen windeieren gelegd want de man heeft inmiddels ook zijn eigen prentenboekenmuseum. Voor wie het niet zou weten, geven we kort de inhoud van het verhaal. Op een blad ligt een klein eitje waaruit bij zonsopgang een hongerige rood-groene rups tevoorschijn komt. Op zoek naar eten, vreet de kleine rups zich door een appel heen – 1 gaatje -, daarna door 2 peren – 2 gaatjes -, dan door 3 pruimen – 3 gaatjes – , en zo gaat het maar door met fruit en later ook nog met salami, kaas en een lolly. Rond gegeten krult de rups zich op op een blad en rust uit. De volgende dag eet hij nog 1 groen blaadje en bouwt dan een huisje voor zichzelf – een cocon – waaruit uiteindelijk een prachtige vlinder komt. Het verhaal is leuk maar meer nog zijn het de kleurrijke illustraties en de rups die gaatjes in het boek knaagt die ervoor zorgen dat nog steeds veel peuters en kleuters fan zijn van dit boek. Illuminated Films maakte van het boek een prachtige animatie die je op Youtube kunt vinden.

Carle, E. (1969). Rupsje Nooitgenoeg. Haarlem: Gottmer.


Deze klassieker (in de letterlijke zin van het woord – talloze herdrukken en vertaald in heel veel talen) is in 1989 op de markt gebracht. Vijf kinderen en een hond besluiten op avontuur te trekken – op berenjacht. Ze moeten langs verschillende hindernissen zoals hoog, zwiepend gras, een steile berg, een sneeuwstorm, modder waarin ze wegzakken, een diepe rivier waar ze doorheen moeten waden en ten slotte komen ze aan in een grot. Maar ook daar zit rust er niet in, want ze moeten maken dat ze er snel wegkomen. In die grot woont … een echte beer! De waterverfillustraties van Helen Oxenbury zijn fantasierijk en schilderen erg mooie landschappen. Naarmate het avontuur van de kinderen vordert, wordt het kleurgebruik intenser. Dat zorgt mee voor een stevige spanningsopbouw. De herhaling in de tekst en de geluiden die worden weergegeven – denk aan het doorwaden van de koude rivier ‘plenserdeplons’ of het overwinnen van het lange gras ‘zwieperdezwiep’ vinden kinderen heerlijk. Wie een mooi voorbeeld wil van hoe je dit verhaal echt spannend kunt voorlezen, moet even kijken op Youtube naar een voorleessessie van Michael Rosen.

Rosen, M. (1989). Wij gaan op berenjacht. Haarlem: Gottmer.


“Toen de kleine mol op een dag zijn kop boven de aarde stak om te kijken of de zon al op was gebeurde het.” Zo luidt de openingszin van dit verhaal. Wat er dan gebeurt kun je op de bijhorende illustratie zien en wordt als volgt beschreven: “Het was rond en bruin en het zag er een beetje uit als een worst – en wat nog het ergste was: het kwam precies op zijn kop terecht.” De kleine mol is heel, heel boos en loopt de verschillende (boerderij)dieren langs om te weten wie hem dat gelapt heeft. De dieren bewijzen hun onschuld door te laten zien aan de mol welke soort uitwerpselen zij hebben: ‘plets, daar kletste een witte natte kledder’, ´plofplofplof, daar vielen vijf paardenvijgen´, ´ratatata, daar vlogen vijftien knikkerkeuteltjes´…De kleine mol – met de drol nog altijd op zijn kop – krijgt uiteindelijk hulp van twee experten, de bromvliegen, die hem vertellen dat de drol afkomstig van de hond. Nu de kleine mol dat weet, neemt hij wraak door op het hoofd van de grote hond een piepklein drolletje te laten vallen en verdwijnt daarna terug naar zijn ondergrondse huis. Het boek – een klassieker vertaald in 30 talen en meer dan 3 miljoen exemplaren verkocht – gaat over ‘poep’, een onderwerp waarvan kinderen onmiddellijk in een deuk liggen. Maar het succes is ook te verklaren door enerzijds de vele herhalingen die het verhaal kenmerken en anderzijds de beeldende beschrijvingen van de verschillende soorten uitwerpselen. Het taalgebruik is eerder bedoeld voor 5- dan voor 3-jarigen Denk aan woorden als ‘grazen’, ‘wraak’, ‘kandijkleurig’, … Maar de illustraties zullen door alle peuter- en kleutergroepen gesmaakt worden.

Holzwarth, W. & Erlbruch, W. (1989). Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft. Antwerpen: De Vries-Brouwers.


Al slapend valt een uilenjong uit zijn nest en verliest het contact met zijn mama. Eekhoorn wil hem helpen zijn mama terug te vinden. Maar de gebrekkige beschrijving van het uilenjong zorgt ervoor dat niet meteen de juiste mama gevonden wordt. Zowel geschikt voor jongere kleuters omwille van de inhoud als voor oudere kleuters omwille van de humor.

Haughton, C. (2014). Mama kwijt. Haarlem: Gottmer.


‘Waar is de taart’ en ‘Picknick met taart’ zijn twee heel leuke boeken van dezelfde auteur die met dit boek op deze verhalen verder borduurt. In dit woordeloze prentenboek merk je, naarmate je het vaker bekijkt, hoe verschillende verhaallijnen zich door elkaar weven. Er is de taart die nodig blijkt te zijn voor een feest maar waaraan telkens – heel concreet op elke dubbele pagina – opnieuw moet begonnen worden. Er is de dief van het halssnoer, het verdwenen feestkleed van Konijn en nog zoveel meer dingen die je op de 12 dubbele pagina’s kunt ontdekken. Kwaliteitsvolle boeken kunnen jonge kinderen zin doen krijgen in prentenboeken, verhalen en lezen. Thé Tjong-Khing is op zichzelf een klassieker in de Nederlandse kinderliteratuur. Zijn taartboeken hebben een vaste plaats in kinderboekenkasten verdiend.

Tjong-Khing, T. (2010). Verjaardag met taart. Tienen: Lannoo.


In dit eenvoudige verhaal dat nergens een moraliserende ondertoon krijgt, gaat Kikker op zoek naar zichzelf. In het begin van het boek kijkt Kikker naar zijn spiegelbeeld in de vijver en oogt hij best tevreden: “Ik ben mooi, ik kan springen en zwemmen als de beste! En ik ben helemaal groen en dat is toevallig ook mijn lievelingskleur. Er is niets mooiers dan een kikker te zijn!” Maar dan begint hij zich te vergelijken met zijn vrienden: Eend kan vliegen, Varkentje bakt lekkere taarten, Haas kan lezen. Dat wil ik ook kunnen denkt Kikker bij zichzelf, maar wat hij ook probeert al zijn pogingen mislukken. Gelukkig is er dan Haas om Kikker te troosten en hem ervan te overtuigen dat hij goed is zoals hij is. Het heldere kleurgebruik in de illustraties van Velthuys is prachtig in zijn eenvoud. Dat zijn ook de lijnen die hij hanteert en die ervoor zorgen dat zowel beweging en emotie er uit kunnen afgelezen worden. Die illustraties zorgen er samen met de tekst voor dat het verhaal en de beleving van de personages die er een rol in spelen echt authentiek overkomen. Net daarom is dit boek na al die jaren dan ook nog steeds een bestseller.

Velthuijs, M. (1989). Kikker is Kikker. Amsterdam: Leopold.


Ergens in de jungle leven een aantal krokodillen. Elke morgen geven papa en mama krokodil hun kleine krokodil bananen te eten; daarvan groeit hij goed en worden zijn tanden sterk! Maar op een dag weigert de kleine krokodil bananen; hij wil iets anders: een kindje. Papa en mama krokodil vinden dit een slecht idee en stellen alternatieven voor maar niets helpt. De kleine krokodil stapt naar de rivier en ziet op de oever een klein meisje zitten. ‘Hmmm, wat een lekker hapje’, denkt hij. Maar net als de kleine krokodil zich klaarmaakt om toe te slaan, ziet het kleine meisje de kleine krokodil en roept helemaal vertederd: “Een krokodilletje! Wat schattig! En wat is ie klein!” Ze kietelt de kleine krokodil, trekt hem bij zijn staart en gooit hem in het water. De kleine krokodil weet niet hoe snel hij zich uit de voeten moet maken en besluit om eerst nog veel te bananen te eten. De kleurrijke illustraties roepen de junglesfeer op en slagen erin een wereld te schetsen die grondig verschilt van de Westerse wereld.

Donnio, S. (2004). Ik zou wel een kindje lusten. Haarlem: Gottmer.


Een heuse klassieker – meer dan 30 jaar oud –  onder de piratenboeken is het prentenboek over Piraat Willem die aan land woont maar op het land maar al te graag zijn stoere zeeroversimago cultiveert. Daarin komt verandering als zijn buurjongentje Frank op een avond op zijn dak staat en er niet meer af durft. Willem helpt hem en vindt van dan af voortdurend kleine cadeautjes aan zijn voordeur. Ze sluiten vriendschap en bouwen samen een ‘piratenschip’ terwijl Willem prachtige verhalen over zijn zeeroversavonturen ophangt. Wanneer de dag van vertrek daar is, moet Willem toegeven dat hij niet mee durft varen omdat hij niet kan zwemmen. Gelukkig heeft Frank aan een zwemband gedacht… Schitterend geïllustreerd en bijzonder verrassend verhaal over een oude zeebonk die aan zijn jonge maatje het hele zeeroversjargon inclusief de spannende verhalen meegeeft.

Schubert, I. & D. (1992). Woeste Willem. Rotterdam: Lemniscaat.


‘De Sneeuwman’ is een heerlijk prentenboek dat al meer dan 45 jaar jong en oud weet te bekoren. Briggs verbeeldde in zijn winterklassieker de herkenbare en kinderlijke verwondering voor sneeuw in dromerige en lichtjes ouderwetse prenten. De jongen in het verhaal maakt een sneeuwpop met wie hij ‘s nachts heel wat avonturen beleeft. Het tekstloze prentenboek confronteert de ontdekkingen van de jongen in de sneeuw met die van de sneeuwpop in de omgeving van de jongen.

Briggs, R. (1978). De Sneeuwman. Amsterdam: Rubinstein.


Dit prentenboek is een echte klassieker vooral omwille van de sprekende illustraties. De tekst is beperkt – zo start het verhaal met 1 zin die over 3 bladzijden doorloopt. De plot is heel eenvoudig. Max wordt zonder eten naar bed gestuurd omdat hij stout is geweest. In zijn bed droomt hij dat hij door een bos loopt, bij de zee komt en in een boot de zee overvaart naar een eiland vol monsters. Max kan hen allemaal de baas en wordt tot koning uitgeroepen. Hij speelt samen met de monsters allerlei wilde spelletjes en stuurt hen uiteindelijk zonder eten naar bed. Dan bereikt de geur van lekker eten Max’ neus en wordt hij wakker.

Sendak, M. (1973). Max en de maximonsters. Rotterdam: Lemniscaat.


Wie met kleuters de wereld wil verkennen is met dit boek aan het juiste adres. In vogelperspectief en met behulp van een kleine gele ballon, een fakir op zijn vliegend tapijt en een blauw autootje reis je de wereld rond in paginagrote, tekstloze illustraties die steeds opnieuw aanleiding geven tot gesprek. Want of je nu een kind bent of volwassen, dit boek zuigt je op. Telkens weer ontdek je nieuwe dingen in de stad, aan de haven, in de Himalaya, in het Braziliaanse regenwoud, op het platteland, in Lapland, bij een drinkpoel in de savanne, op zee met verschillende soorten schepen, … Kinderen zullen altijd opnieuw op zoek gaan naar de twee giraffen, de gele ballon of naar andere kleine details die ze uit andere verhalen herkennen. Volwassenen herkennen tot hun eigen verbazing de stad Petra, het paleis van de Dalai Lama of het monster van Loch Ness en nog veel meer. Dat de aarde een boeiende plek is om te leven maakt dit boek meer dan duidelijk. Kijk ook eens samen met de kleuters naar:

Dematons, C. (2012). De gele ballon. Rotterdam: Lemniscaat.


Om eerlijk te zijn is dit boek één van mijn lievelingsprentenboeken omdat het tijd- en leeftijdsloos is. Het verhaal gaat als volgt. Op het einde van de zomer verzamelt de familie muis voorraad voor de winter. Iedereen is hard aan het werk behalve Frederick. Dat irriteert de andere muizen wel en ze vragen Frederick dan ook waarom hij niet mee doet. Maar Frederick ontkent dat en zegt dat hij andere dingen verzamelt m.n. woorden, kleuren en mooie gedachten: “Want de winter heeft vele en lange dagen, en dan weten wij niets meer te zeggen misschien.” En zo blijkt ook want zodra de winter begint, begint de familie muis knusjes in hun winternest aan haar voorraad noten en bessen en graan terwijl ze elkaar honderduit vertellen. Naarmate de winter vordert, verandert dat: “Beetje bij beetje hadden ze haast alle noten en bessen opgeknabbeld, er was geen stro meer, en hoe koren er eigenlijk uitzag, dat waren ze bijna vergeten. Ze hadden het koud tussen de stenen, en babbelen deden ze geen van allen meer. Toen dachten ze opeens weer aan Frederick, en wat hij gezegd had over zonnestralen en kleuren en woorden. ‘Hoe staat het met jóuw voorraad, Frederick?’ Dan begint Frederick zijn voorraad uit te pakken; hij vertelt zo beeldend en zo poëtisch dat de andere muizen het terug warm krijgen en de kleuren van de zomer voor zich zien. De muizen staan in bewondering voor Frederick: “Maar Frederick, je bent een dichter! En Frederick bloosde, boog heel diep en zei: Ja dat weet ik!” Ik zei het al, een tijdloos verhaal want we zijn te vaak en te veel bezig met het materiële en het nuttige. Van Frederick kunnen we de waarde leren van het zogenaamde nutteloze, van woorden en verhalen. Sobere maar sprekende illustraties met oog voor detail tegen een witte achtergrond in eerder gedempte kleuren maken het verhaal helemaal af.

Lionni, L. (1967). Frederick. Utrecht: Ankhhermes.


Dit is het eerste boek met ‘De mooiste vis van de zee’ als hoofdpersonage. Wie dit boek vastneemt en vergelijkt met de vele verhalen die later nog over de mooiste vis geschreven zijn, beseft opnieuw dat dit eerste verhaal echt heel sterk is. Zonder ook maar een greintje moraliserend over te komen of prekerig of boodschapperig te worden, slaagt dit verhaal erin waarden mee te geven. En dat is bij de vervolgverhalen wel anders. Het boekje is helder en doorleefd geschreven maar toch objectief. In het verhaal is een vis met menselijke eigenschappen de hoofdfiguur. De vis ziet er erg mooi uit, wordt bewonderd en krijgt pretentie. Hij gaat hoe langer hoe meer in de fout in zijn relatie tegenover andere vissen en verliest hun vriendschap. Hij voelt zich daar niet goed bij en gaat hulp zoeken bij een zeester die hem doorverwijst naar de wijze van de zee, Octopus. Octopus maakt niet veel woorden vuil aan de vis, maar hij raakt wel de kern van de zaak. Wanneer de mooiste vis doet wat hij zegt – zijn schoonheid delen door schubben weg te schenken -, wordt hij terug gelukkig. De illustraties zijn kleurrijk. De glitterschubben van de vis spreken kleuters aan, omdat ze niet allen mooi zijn om naar te kijken, maar je kan er ook voorzichtig aan voelen om te weten te komen of je hetzelfde voelt als wat je ziet. Succes gegarandeerd. Je zou dit boek op veel niveaus kunnen ontleden, je zou bijvoorbeeld kunnen aangeven dat uiterlijke schoonheid soms een rem kan zijn op geluk, maar dat heeft Marcus Pfister vermoedelijk allemaal niet bedoeld en daar hebben de kleuters ook geen boodschap aan. Uiteindelijk draait dit boek rond vriendschap en wat vriendschap kan en moet betekenen. Wie dit duidelijk kan maken aan kleuters aan de hand van dit verhaal heeft met hen een belangrijke stap gezet.

Pfister, M. (1996). De mooiste vis van de zee. Rijswijk: De Vier Windstreken.


Poes Findus is drie maal per jaar jarig en bij een verjaardag hoort taart. Opa Pettson wil die graag bakken, maar dan heeft hij meel nodig en dat meel is op. Opa Pettson moet naar de winkel in het dorpom meel te kopen maar de band van zijn fiets is lek. Die moet eerst hersteld worden. Opa P heeft zijn gereedschapskist uit de schuur nodig. Jammer genoeg is de schuur op slot en de sleutel zoek. Na een speurtocht ontdekken Opa P en Findus de sleutel in de waterput. Om die op te vissen is er een hengel nodig. Waar is die gebleven? Op de zolder waarop je enkel met een ladder kunt geraken. Toevallig ligt op die ladder ligt een woeste stier te slapen. Hoe…? Maar uiteindelijk komt alles goed en eten ze gezellig pannenkoekentaart. De avonturen van Opa Pettson en Findus – en dat zijn er veel – spelen zich af in een onvoorspelbare en chaotische wereld vol humor. Het verhaal wordt met vaart verteld en het boek bevat veel tekst. Maar de kleurrijke illustraties vol grapjes en details maken het volgen van het verhaal gemakkelijk. Een heuse klassieke aanrader!

Nordqvist, S. (1984). Pannenkoekentaart. Leuven: Davidsfonds.


Derk, een das op jaren, voelt dat zijn einde nadert en heeft daar vrede mee. Hij voelt immers dat zijn lijf versleten is en denkt aan zijn eigen stramme poten wanneer hij de andere dieren ziet huppelen en rennen. Hij is wel bang dat zijn vrienden om hem zullen treuren en daarom schrijft hij hen een brief. Die avond sterft Derk Das. De auteur verhaalt het stervensproces als een droom van Derk die zichzelf door een lange tunnel ziet gaan, zijn stok niet meer nodig heeft en lijkt te zweven… De volgende morgen reageren de dieren verslagen, zelfs als Vos hen de brief van Derk voorleest. Bovendien wordt het winter en dat zorgt ervoor dat de meeste dieren eenzaam en verdrietig in hun hol zitten. Enkel Vos wandelt soms door het bos en houdt dan een praatje over Derk. Gelukkig volgt op de winter altijd de lente. De dieren zijn blij uit hun holen te kunnen komen. In lange samenkomsten halen ze herinneringen op aan Derk Das. En terwijl de sneeuw langzaam wegsmelt, verdwijnt al pratend hun verdriet om Derk.

Varley, S. (2006). Derk Das blijft altijd bij ons. Rotterdam: Lemniscaat.


Ooit bestond er een land waar de stilte heerst. Spreken kan er alleen als je woorden koopt. Alle woorden worden er gemaakt in ‘de grote woordfabriek’. Sommige woorden zijn heel duur, andere goedkoop en soms, heel soms, vliegen er woorden door de lucht en met wat geluk kun je die vangen. Florian, het hoofdpersonage van dit boek, heeft er drie gevangen en die wil hij geven aan Siebelle die ‘onuitsprekelijk’ lief is. Florian heeft een vijand, Oscar. Hij heeft rijke ouders en heeft een heleboel woorden gekocht om zijn liefde aan Siebelle te verklaren en haar te imponeren.  Gelukkig is Siebelle meer onder de indruk van ‘pannenlapje’, ‘kersenrood’ en ‘stoelendans’… Op de paginagrote illustraties zijn overal letters te vinden. Bovendien komen er steeds meer rode en oranje accenten in de bruintinten naarmate het duidelijker wordt dat Siebelle de liefde van Florians leven is. En zo eindigt dit verhaal in woord en beeld in een zachte warmte.

De Lestrade, A. (2009). Het land van de grote woordfabriek. Wielsbeke: De Eenhoorn.


De vinnige Kikker en de Pad die het liever wat kalmer aan doen, veroveren onmiddellijk de harten van jonge kinderen. Dat heeft alles te maken met de ogenschijnlijke eenvoud waarmee de verschillende avonturen van Kikker en Pad verteld worden. Het boek begint in de lente en doorheen de 20 verhalen die het rijk is komen mooi verdeeld alle seizoenen aan bod. Op die manier vormt het boek ook een mooi geheel. Maar het boek behandelt veel meer dan enkel de seizoenen. Op een meesterlijke manier slaagt de auteur erin de betekenis van vriendschap doorheen de verschillende verhalen mee te geven. Op haast elke bladzijde worden de verhalen ook geïllustreerd in vele groen en bruin tinten. De illustraties dragen op die manier ook bij aan de reflectie die haast automatisch uit de verhalen voortvloeit.

Lobel, A. (2005). Alle verhalen van Kikker en Pad. Amsterdam: Ploegsma.


Voor wie de belangrijkste personages uit deze klassieker uit Groot-Britannië niet kent nog even voorstellen: er is het hoofdpersonage de beer Poeh die van zichzelf zegt dat hij niet al te slim is, maar op een onnavolgbare manier filosofische en diepmenselijke uitspraken doet. Daarnaast zijn er de medespelers Iejoor, de altijd enigszins depressieve ezel, Knorretje en Christoffer Robin, het kind dat de dieren in het Honderd Bunderbos voortdurende bezoekt en met hen avonturen beleeft. De illustraties zullen de kleuters die enkel de Disney-versie van de figuren kennen, mogelijk verrassen. Maar omdat ze veel mooier en gedetailleerder zijn én meer charme hebben, zullen ze snel overstag gaan. Opnieuw een verhalenbundel die ondanks zijn hoge leeftijd niets aan waarde heeft ingeboet.

Milne, A.A. (2007). Verhalen van Winnie de Poeh. Haarlem: Van Goor.


Dezelfde illustrator voor de voorliggende bundel die 23 gedichten bevat eveneens over gevoelens en belevenissen van kleuters. Een fantastische rij knuffels, in manden, wiegjes, op stoelen en bankjes waarvan sommige er vrolijk en andere er eerder boos uitzien op het voorste schutblad. Dezelfde knuffels maar dan in slapende toestand in een stapelbedje, in koffertjes, in een hangmat of poppenwagen, gewoon op een kussen, … op het achterste schutblad. Verder zeer kleurrijke en verrassende illustraties bij de al even kleurrijke gedichten over zonnebloemen, over dansen en dwarrelende blaadjes, over wolken die altijd verder zweven en waarnaar een jongetje probeert te hengelen en ga zo maar door. De gedichten zelf staan steeds afgedrukt in het rustige gedeelte van de illustraties die per gedicht een dubbele pagina beslaan. De titel geeft de rode draad van de gedichten weg. Hans en Monique Hagen kijken liefdevol in het dagelijkse leven van jonge kinderen en voegen daar met hun versjes muzikaliteit en taalplezier aan toe. De gedichten zijn speels en raak, waardoor ze ook oudere lezers weten te bekoren, lees maar:

LIEFSTE

Ik zoek een woord
een heel nieuw woord
een woord dat niemand kent
ik zoek een woord
dat zeggen wil
dat jij de liefste bent

Hagen, H. & M. (2002). Jij bent de liefste. Amsterdam/Antwerpen: Querido.


Pluk is een eigenzinnig jongetje dat rondrijdt in een rode kraanwagen en een eigen onderkomen vindt op de zolder van een flatgebouw, de Petteflet. Daarmee doet Pluk een beetje denken aan Pippi Langkous, maar zijn karakter is veel zachtaardiger dan dat van Pippi. Niet elke volwassene is het ermee eens dat zo’n jongetje zelfstandig woont. Zo is er de onderbuurvrouw van Pluk die hem liefst van al daar weg wil. Ook al omdat hij een zogenaamd slecht voorbeeld is voor haar dochtertje Aagje. De grootste vrienden van Pluk zijn allerlei dieren. Denk aan duif Dollie, kakkerlak Zaza en de eenzame heen- en weerwolf. Ook de muizen van de Torteltuin sluit Pluk in zijn hart zeker wanneer hem ter ore komt dat hun bos plaats moet maken voor een parking. Aangezien in dit boek – anders dan bij Jip en Janneke – er geen sprake is van traditionele rolpatronen blijft dit boek actualiteitswaarde hebben. Aandacht voor het milieu, aandacht voor de zelfstandigheid van het kind dat geen volwassene in zakformaat is en de vele grapjes in de verhalen maken het een klassieker in de ware zin van het woord die ook hedendaagse (voor)lezers kan aanspreken.

Schmidt, A.M.G. (1971). Pluk van de Petteflet. Amsterdam: Querido.