Voor de allerkleinsten is er dit heerlijk, kleurig knisperboekje, voor de iets groteren het kartonboekje. Het vertelt geen verhaal maar wijst op tegenstellingen: nat en droog, verschillende lievelingskleuren, groot en klein, … Dit gebeurt aan de hand van twee dierenfiguren: een knuffelbare oranje-bruine Beer en een grappige zwart-witte Pinguïn. Beer houdt van blauw, Pinguïn van rood, Beer houdt van luid, Pinguïn van stil, Beer houdt van warmte, Pinguïn van koude en ga zo maar door. Maar hoe verschillend ze ook zijn, ze zijn elkaars dikke vrienden en ze houden van elkaar. Want je hoeft echt niet hetzelfde leuk te vinden om vrienden te kunnen zijn. Eigenlijk borduurt Gaudesaboos hier verder op het thema liefde uit Een zee van liefde dat met de Boon werd bekroond in 2022.
Gaudesaboos, P. (2025). Waar ik van hou. Tielt: Lannoo.
‘Drie is gek: soms een heleboel, soms heel weinig – het is maar net hoe je het bekijkt.’ Dit zinnetje op de achterkant van dit kleurrijk geïllustreerde kartonboekje vat de inhoud ervan erg goed samen. Het boekje is volledig gewijd aan het cijfer 3 en aan de vraag of 3 veel is of weinig. En wat blijkt: soms is 3 veel, soms is 3 weinig en soms is 3 net goed. Het hangt af van de situatie. Niet zo eenvoudig voor een driejarige. Dus wordt die dankzij dit boekje aangezet tot nadenken, vergelijken, tellen en opnieuw nadenken over de oplossing die de schrijver aandraagt. Want inderdaad: 3 sterren in een volledige sterrenhemel is weinig, maar 3 glazen is te veel. 3 visjes zijn voor een haai weinig eten, maar 3 kaarsjes op je taart als je 3 wordt is helemaal juist. ‘Is 3 te veel?’ Een vraag om over na te denken!
Gültaslar, B. (2025). Is 3 te veel? Amsterdam: Querido.
Waar gaat een kat naartoe wanneer ze ’s nachts op pad gaat? Ontmoet ze andere katten, andere dieren, andere mensen? Op al deze vragen geeft dit boek een antwoord. Het verhaal over de nachtelijke escapades van kat start wanneer kat stilletjes door het raam naar buiten glipt. Kat neemt je als het ware mee op avontuur in de nachtelijke stad. Ze ontmoet nachtdieren zoals vleermuizen, uilen en nachtvlinders. Een beetje later op de avond geeft ze een inkijk bij de mensen; sommige van hen slapen – je ziet door het raam een knuffelend koppeltje in bed, een mama die voorleest, sommigen zijn aan het werk bv. de ambulanciers, nog anderen vermaken zich op een fuif. Maar daar houdt kat helemaal niet van zo te zien. Om middernacht is het tijd voor de sterren en buitelt kat met veel plezier onder de maansikkel. Nog later – in het holst van de nacht – ontmoet ze weer andere katten en wanneer het stilaan weer licht wordt, keert de kat naar huis terug om te slapen en worden er steeds meer mensen wakker. Nog mooier dan de tekst zijn in dit boek de illustraties die op een schitterende manier de tegenstelling licht-donker in de verf zetten, een nostalgische sfeer weten op te roepen en de lezer aanzetten tot aandachtig kijken. Het boek sluit af met vier pagina’s weetjes rond nachtdieren, sterrenbeelden en uitleg bij uitdrukkingen zoals ‘het holst van de nacht’. Een heuse aanrader!
Heiligers, Y. (2025). De nacht is van kat. Tielt: Lannoo.
Kleine Aap is heel blij en wil die blijdschap met iedereen delen. Daarom trekt hij op zijn step het woud in maar wie hij ook aanspreekt, geen enkel dier lijkt echt te luisteren. De ene interpreteert zijn blijdschap als ‘jij hebt een nieuwe step’, de ander denkt dat hij gaat verhuizen en de Uil vindt dat zijn mama hem niet alleen in het woud mag laten. Gelukkig is er Olifant die wel naar het grote nieuws wil luisteren: Kleine Aap heeft een broertje gekregen. Het verhaal wordt gekenmerkt door veel herhaling. Dat zorgt ervoor dat de luisteraars de structuur herkennen, denken te kunnen voorspellen wat er komt maar telkens een klein beetje op het verkeerde been worden gezet. De ontknoping is best spannend. De illustraties geven goed de vaart weer die Kleine Aap met zijn step maakt en die step – op heel veel verschillende manieren vastgehouden – illustreert dan weer de aandrang waarmee hij zijn blije nieuws wil delen. De verschillende dieren zijn leuk in beeld gebracht. Zo lijkt het snelle luipaard eerder lui te zijn of piept het stokstaartje net met zijn kop boven het gras uit. Leuk, herkenbaar verhaal met mooie, kleurrijke illustraties.
Van Hout, M. (2024). Kleine Aap. Hoorn: Hoogland & Van Klaveren.
Wie houdt van verhalen en de tekenstijl van Beatrix Potter zal ongetwijfeld blij zijn dat uitgeverij Boycott het initiatief heeft genomen de ‘Bramenbuurt-boekjes’ opnieuw op de markt te brengen. Jill Barklem is een Britse auteur en illustrator die zich voor haar verhalen en illustraties liet inspireren door de natuur in Essex. De Bramenbuurt, een muizengemeenschap, ligt diep verscholen tussen de velden en weiden aan de rand van het bos. Daar wonen enkele muizenfamilies die het ritme van de seizoenen volgen en onrechtstreeks zo ook de cirkel van het leven. Het eerste verhaal dat opnieuw uitgegeven werd, speelt zich af in de herfst. De muizen verzamelen voorraden voor de winter. Iedereen helpt mee; ook Baron Bosmuys en zijn dochter Sleutelbloem. Maar Sleutelbloem is een beetje verstrooid en wanneer ze naar huis gestuurd wordt, treuzelt ze erg lang aan de rand van het korenveld, gaat op bezoek bij twee oude muizen en verkent in haar eentje een onderaardse gang. Daarna is ze een beetje verdwaald. Wat nu? Sleutelbloem realiseert zich ook niet dat de ganse muizenfamilie ondertussen al erg ongerust geworden is en naar haar op zoek. Loopt dit wel goed af? In elk geval gaat dit verhaal over samenwerking, verbondenheid, vindingrijkheid en thuiskomen. De muizenfamilies leven in harmonie met de natuur en tonen dat aandacht voor iets ogenschijnlijk kleins van grote waarde kan zijn. Dat wordt in herfstkleuren in de verf gezet door de natuurgetrouwe illustraties rond de blaadjes, de oogst, de bessen, de bramen, … De muizen zijn antropomorfe figuren met eigen karakters en met veel zin voor de ‘community’ waaraan ze allemaal op hun manier willen bijdragen. Het verhaal is verteld (en vertaald) in een rijke taal die ook het voorlezen tot een plezier maakt.
Barklem, J. (2025). Bramenbuurt: Herfstverhaal. Amsterdam: Boycott.
In wit, grijs en oranje zet Aline Portman prachtige, sprekende potloodtekeningen neer. Het zijn in wezen de tekeningen die het verhaal vertellen en dat gaat zo: Beer beweert van zichzelf dat hij echt heel goed is in het dieren zoeken met zijn verrekijker, ‘spotten’ dus. Beer wil de kleuters ook tips geven zodat ze zelf ook goed leren zoeken. Alleen… vandaag heeft hij geen geluk. Er verschijnt geen enkel dier in zijn gezichtsveld. Tenminste dat denkt hij want de aandachtige kijker weet wel beter! Zo zie je op een bepaald moment rechts van beer de oranje pluimstaart van een eekhoorn met daarnaast vijf ganzennekken en -koppen voorbij wandelen. Op dat moment zegt Beer: ‘Maar vandaag hebben we geen geluk. Er is niets te zien.’ En zo gaat dat maar door in het verhaal, bladzijde na bladzijde. Beer kijkt altijd naar de verkeerde plaatsen, zoekt dieren waar ze op dat moment niet zijn en ondertussen lopen, vliegen, klimmen, … ze hem voorbij. Kleuters zullen onmiddellijk of na even zoeken ontdekken welke verschillende dieren aan de aandacht van Beer ontsnappen en ze zullen aan dat zoekproces heel veel plezier beleven. Achteraan in het boek staat ook een lijstje van elle dieren die je zou kunnen gespot hebben. Erg leuk en humoristisch verhaal waarin de vele herhalingen tot het zoeken naar veel voorkomende dieren aansporen.
Portman, A. (2025). Dieren spotten doe je zo. Tielt: Lannoo.
In dit prachtig geïllustreerde prentenboek gaat het over twee dingen: verlegen zijn en verliefd zijn. Daan is een echte durfal, alleen … het meisje aanspreken dat elke dag onder zijn boom doorloopt aanspreken, durft hij niet. Dus bedenkt hij een plan: hij vangt een papegaai en leert die praten. Maar op het moment dat die papegaai dé vraag moet stellen aan het meisje zwijgt hij. Dat komt omdat een gemene dierenhandelaar erachter is gekomen dat de papegaai kan praten en die voor veel geld wil verkopen. Dus leert Daan nog een papegaai spreken en nog één tot hij uiteindelijk beslist voor zichzelf een papegaaienpak te maken. En dan lukt het eindelijk: vermomd durft hij het meisje wel aanspreken! En wat hij ook durft en wel zonder vermomming: de winkelier ontmaskeren. Eind goed, al goed dus. De sfeervolle illustraties ondersteunen en versterken de ‘gevoelige’ tekst. In kleurgebruik en qua sfeer dragen ze bij aan een goed verstaan van de dieperliggende laag in dit verhaal.
Veldkamp, T. & Hopman, P. (2024). Het papegaaienplan. Amsterdam: Condor.
In een klein huisje aan de rand van het bos woont een jongen. Het huisje is wel goed maar echt veel te klein. Dus gaat de jongen op zoek naar een ander huis waarvan hij een thuis kan maken. Eerst ziet hij een reusachtige bierton staan. Daarin zou hij ruimte hebben. Maar de ton ruikt nog veel te sterk naar het bier dat erin gezeten heeft. Dus zoekt de jongen verder. Maar elk huis dat in aanmerking zou kunnen komen heeft voor- maar ook nadelen. Een luchtballon lijkt op het eerste gezicht een goed idee. Maar wat als er dan een stormwind opsteekt?! Een holte in een boom blijkt toch ook niet je dat; een boomhut dan of een blokhut op een eilandje in een vijver? Maar dan steekt een onweer op en moet de jongen schuilen. Zo komt hij terug terecht waar hij vertrokken is. Het idee dat achter dit boek schuilt is al vaker het onderwerp geweest in prentenboeken: je huis een thuis. Maar deze auteur werkt dit op een prachtige manier uit, vooral in zijn schilderachtige illustraties die impressionistisch aandoen. Daarom is elke bladzijde ook een feest voor het oog en voel je als lezer/kijker de woonsfeer van de verschillende huizen die de jongen in overweging neemt ook zo goed aan. Het geheel oogt zacht zowel wat de tekst als wat de illustraties betreft. Een erg vriendelijk geschenkboek.
Coudyzer, P. (2025). Het mooiste huis. Eke: De Eenhoorn.
Wie in de hoek staat, heeft vast iets uitgespookt. Met spaghettislierten tegen de muren kunnen we wel raden wat het jongetje daar staat te doen, maar zelf vertelt hij alle dieren die ernaar vragen: ‘Ze zeggen dat ik iets stouts gedaan heb.’ Bladzijde na bladzijde komen er dieren bij in de hoek die ook – ooit eens – iets stouts hebben gedaan. Slang heeft muis opgegeten, eland verschijnt met een waslijn verstrikt in zijn gewei, struisvogel heeft duidelijk met verfpotten gespeeld, neushoorn breekt door de muur … Zo ontdekt de lezer wat ‘stout zijn’ allemaal kan betekenen: ondeugend, grappig, gevaarlijk, onbedoeld, verleidelijk. Het magische woord ‘sorry’ bevrijdt iedereen uit de hoek, behalve het jongetje. Het verrassende einde doet glimlachen, net als de vele geestige details in de verfijnde illustraties van Pieter van den Heuvel. Die bewijst zich opnieuw als meester van het stapelverhaal. Het concept is eenvoudig, maar de uitwerking is vernuftig. ‘In de hoek’ nodigt uit tot kijken, herlezen en vooral: tot gesprekken de betekenis van ‘stout zijn’.
Van den Heuvel, P. (2025). In de hoek. Haarlem: Gottmer.
Wanneer Lucy in haar bed gewekt wordt door een stem weet ze in eerste instantie niet wie dat is. Maar de stem zegt: ‘Ik ben Donker.’ Donker nodigt Lucy uit om de nacht te ontdekken. Hij leert haar zorgvuldig kijken en zo ontdekt Lucy dat er ook in het donker nog heel wat te zien is. Ze durft zelfs mee naar buiten gaan juist omdat ze in Donker een vriend ziet en hem vertrouwt. Zo ontdekt Lucy dat er ’s nachts nog een heleboel leven is, dat de maan best veel licht geeft en ontdekt ze ook nieuwe geluiden en geuren. Van angst voor ‘het donker’ is geen sprake meer. De illustrator doet wonderen met houtskool. Zo zorgt ze ervoor dat ook de lezer ontdekt hoeveel kleurnuances in het donker aan bod komen en hoe rozig licht zorgt voor het doorbreken van die duisternis wanneer het ochtend wordt. Dit boek laat je duisternis op een heel bijzondere manier ervaren en leert je dat je er niet bang voor hoeft te zijn.
Rogaar, K. (2025). Lucy en Donker. Amsterdam: Querido.
We kennen het beeld allemaal: verknocht aan de smartphone hebben mensen amper oog voor wat er rond hen gebeurt. ‘Vier woorden voor jou’ opent met een illustratie waarin een papa opgeslorpt is door zijn telefoon terwijl zijn dochter haar pyjama aantrekt. Plots vraagt ze: “Als je straks eindelijk bent uitgepraat, heb je dan nog wel woorden over voor mij?” Opgeschrikt door die vraag stelt de papa alles in het werk om zijn dochter te overtuigen van het feit dat hij nooit woorden tekort kan komen voor haar. Hij vertelt over de Ondergrondse Woordenfabriek waar hij de fles ‘Oneindig Veel’ kan halen, zodat hij zijn leven lang woorden ter beschikking heeft. Het meisje is niet overtuigd, want wat als hij de weg niet terugvindt? Dan zou hij in de hoogste boom kruipen om haar bedlampje te kunnen spotten. Terwijl het meisje ‘Wat als…’-redenen blijft bedenken waarom hij niet zal slagen in zijn missie, verrijkt de papa zijn fantasierijke avontuur om haar te bereiken. Zo geraakt hij gevangen in de klauwen van een uil, reist hij de ruimte in met een raket, ontmoet hij slimme maar achterbakse wetenschappers en wordt hij gevangen door piraten. Na al die avonturen is hij haar vast vergeten, stelt het meisje. “Jou vergeten is onmogelijk,” antwoordt haar papa. En dan fluistert hij de vier woorden in haar oor, die het overtuigendst zijn van allemaal …
Sala, F. (2025). Vier woorden voor jou. Amsterdam: Querido.
52 verhalen, 1 voor elke week van het jaar en zeer gevarieerd van Canada tot Papoea-Nieuw-Guinea. Letterlijk de wereld rond dus. Het inleidende verhaal is het verhaal van Perzikje. Een boer vist een kleine, vreemde vrucht uit een rivier en neemt die mee naar huis. Zijn vrouw breekt de vrucht open en op de plaats waar normaal een pit zit, zit een piepklein mensje. De boer en zijn vrouw besluiten het jongetje op te voeden als hun eigen kind en hij groeit uit tot een kereltje – nooit groter dan een handpalm – die overal veel vreugde brengt. Maar één vraag houdt Perzikje – want zo noemen ze hem– altijd bezig: waarom blijf ik zo klein? Niemand heeft een antwoord, tot op een dag de Wind langkomt en Perzikje vertelt dat ‘aan de overkant van het Grote Water een boom staat naast een rivier. Eén van de perziken viel van de moederboom in het water en vertrok met de stroom mee op avontuur. Jij zat in die perzik, zo kwam je bij je lieve pleegouders.’ Dat maakt Perzikje vreselijk nieuwsgierig en hij besluit op reis te gaan om vragen te kunnen stellen aan de moederboom. Zijn reis leidt hem langs 52 verschillende plaatsen met de bijhorende verhalen. Uiteindelijk komt Perzikje aan bij de Moederboom en krijgt antwoord op zijn vragen. Vlot geschreven en kleurrijk geïllustreerd verhaal dat jonge kinderen laat kennismaken met verschillende culturen en verhalen uit die culturen. De verhalen zijn prettig om voor te lezen en kunnen een kleine bijdrage leveren om van jonge kinderen ‘wereldburgers’ te maken.
Hermans, Y. (2025). Wereldreis voor het slapengaan. Kalmthout: Pelckmans.
Fans van De jongen, de mol, de vos en het paard zullen de illustratiestijl van Charlie Mackesy meteen herkennen in dit boek brillen glaez. Ook hier brengen zijn zwierige penstreken gevoel en beweging in elke tekening. De verhalen uit Wisselweg Woud krijgen alle ruimte in deze mooi uitgegeven bundel, die sterk doet denken aan Britse klassiekers als Winnie de Poeh en Pieter Konijn. In vijf vertellingen neemt oma haar kleinkinderen mee naar de wonderlijke wereld van Wisselweg Woud, waar magie en alledaagsheid elkaar vinden. De verhalen zijn duidelijk geïnspireerd door het Engelse platteland, het familieleven en mythologie. Zo maken we kennis met freule Pontekoek, een bijzondere dame die Slot Snittingen deelt met een geest. Wanneer haar geliefde huis wordt verkocht aan de botte Plurk, probeert ze hem met zachte hand de juiste omgangsvormen bij te brengen. Maar haar raad – wees vanaf het begin vriendelijk tegen de geest – slaat hij in de wind. En dat blijft – uiteraard – niet zonder gevolgen … De verhalen zijn telkens magisch, grappig en warm tegelijk. Dankzij Arthur Japin is de rijmtekst ook vlot voorleesbaar. Een heerlijk boek om op koudere dagen samen in weg te kruipen.
Cowie, V. & Mackesy, C. (2025). Verhalen uit Wisselweg Woud. Amsterdam: Ploegsma.
Een avontuurlijke kitten, Mo, ziet op een avond in het nachtblauwe bos een lichtje fonkelen. Het lijkt wel of het lichtje lacht naar Mo. En dus besluit Mo op zoek te gaan. Ze loopt het bos in en maakt kennis met een heleboel lieve en wijze dieren die haar allerlei dingen leren. Bv. dat je samen gemakkelijker problemen kunt oplossen dan wanneer je dat in je eentje moet doen, dat delen voor jezelf ook een geschenk is, op welke manier je je zorgen kunt vergeten, … Een heerlijk avontuur dus maar tegelijkertijd wordt Mo door iedereen gewaarschuwd voor de grote, gevaarlijke beer die ook in het bos leeft. Maar Mo is zo nieuwsgierig dat niets hem kan tegen houden. Zo dringt de kitten steeds verder het bos in en plots staat ze oog in oog met de beer die helemaal niet zo eng blijkt te zijn als iedereen dacht. Het boek doet een beetje denken aan de verhalen over Kikker en Pad die Arnold Lobel zo mooi verteld heeft. Misschien is dit verhaal af en toe wel een tikje zoeter maar het blijft leuk en ook spannend geschreven. Het bevat ook op elke bladzijde vriendelijke pentekeningen in zwart-wit met af en toe een vleugje kleur. Ze vormen samen met de tekst een hartverwarmend geheel dat volwassenen ook zeker zal kunnen bekoren. Tel daar dan ook nog de mooie uitgave in linnen band bij en je hebt een echt geschenkboek in handen.
Yeon-Ju Choi. (2025). Het verhaal van Mo. Zeist: Christofoor.
Hans en Monique Hagen – dichters van de klassieker ‘Jij bent de liefste’ – schrijven naast poëzie ook verhalen, geven lezingen en workshops, ontwikkelen lesmateriaal én brengen poëzie tot leven op podia en in klaslokalen. Onlangs voegde het koppel met ‘Elk versje is een visje’ een tweede verzamelbundel toe aan hun palmares als leesbevorderaars. Voor deze uitgave doken ze in maar liefst duizend poëziebundels en selecteerden daaruit 111 versjes voor jonge kinderen. De beste dichters van ons taalgebied kregen een plek. Van tijdloze stemmen als Annie M.G. Schmidt en Nannie Kuiper over eigentijdse dichters als Pim Lammers, Bart Moeyaert en Bette Westera. De bundel volgt geen strak thema en is niet onderverdeeld in rubrieken – en dat is juist de kracht. De verzen zijn verbonden door taalplezier, humor, gevoeligheid en schoonheid. De Hagens kozen resoluut voor kwaliteit en dat voel je op elke pagina. Opvallend genoeg namen ze geen van hun eigen gedichten op – een bescheiden keuze, die ruimte biedt aan collega-dichters. Elk versje is een visje is een aanrader voor iedereen die jonge kinderen wil laten proeven van poëzie: leerkrachten, ouders, bibliothecarissen en leesbevorderaars. Een bundel om keer op keer open te slaan en telkens iets nieuws te ontdekken.
Hagen, H. & M, Praagman, M. (2025). Elk versje is een visje. 111 gedichten om voor te lezen. Amsterdam: Querido.